donderdag 10 november 2011

Roeisloepen 4

Uit het Handboek Zeemiliciens van 1917. Roeisloepen :
In het sloepseinboekje vindt men nog verscheidene andere seinen, die van boord der schepen gedaan kunnen worden, of die men uit de eene sloep met zwart en wit geschilderde zeildoeksche seinramen aan de andere kan doen.
Sloepen worden ook gebruikt om water, behoeften of victualie te halen, trossen of werp en uit te brengen, enz.
De trossen worden bij het uitbrengen geheel of gedeeltelijk achter in de sloep opgeschoten, of wel van boord uitgestoken naarmate de sloep voortroeit; het einde van de tros moet altijd voor in de sloep klaar liggen.
De werpen worden achteraan gehangen, of wel met den stok over den spiegel, en de handen op eene plank, die dwars op het boord rust, gelegd.
Aan het werp bevestigt men eene boei met boeireep, waaraan het werp wordt gelicht. Als het roer in dergelijke gevallen niet gebruikt kan worden, dan stuurt men met een riem.
In zee is steeds een der sloepen aangewezen als reddingsloep. Deze sloep moet zooveel mogelijk voor oogenblikkelijk gebruik gereed zijn.
De vanglijn moet buiten alles om binnenboord vaststaan, de takels moeten opgeschoten aan dek liggen, de stoppers opgezet zijn; de prop, is ingezet; cinder de doften is voor iedere roeier een zwemvest vastgemaakt.
Verder bevinden zich in de sloep: een reddinggordel, een kompas met lampje, een lantaarn met lucifers, een sloepseinboekje.
Bij de reddingbooten vindt men om de sloepen te sjorren steeds poolstroppen aan de davits.
Reglement op de commando's voor het roeien en het pagaaien met sloepen :
Wanneer de sloep klaar is, behooren de riemen naast elkaar tegen boord op de doften te liggen, de bladen horizontaal en naar voren.
Het blad van den buitensten riem op dat van den tweeden, het blad van den tweeden op dat van den derden en zoo vervolgens, terwijl de bladen van de twee in de sloep aanwezige korte riemen gelijk komen te liggen met die van de anderen; de binneneinden gelijk met den achterkant van de achterste doft, de haken een aan den achterkant van de achterste doft, de haken een aan iedere zijde met de punt naar voren.
De wimpelstok voorin tegen boord aan de zijde der sloep, welke afgekeerd is van het schip of van den wal, langszijde waarvan de sloep ligt.
Is het zeiltuig in de sloep en niet in de barringbeugels gehangen, dan wordt dit in de midscheeps gelegd, de masten onder en de zeilen boven.

Geen opmerkingen :