vrijdag 18 november 2011

Nederland Amsterdam 1905 - 5

Rosjestvenski's vloot.
In de onzekerheid, welke weg door de Russische vloot genomen zal worden, is het hoogst onwaarschijnlijk dat de Japansche vloot haar te gemoet zal gaan. In ieder geval zou zij zich hierdoor van hare basis verwijderen, wat zeer ongunstige gevolgen zou kunnen hebben en zeker de aanvulling van brandstof voor de schepen zal bemoeilijken, terwijl bovendien de kans geloopen wordt, dat de Russische vloot op een gegeven oogenblik dichter bij Japan zou blijken te zijn dan zijzelf is.
Een gevecht, tusschen de vloten der oorlogvoerenden, in den Indischen archipel, moet dan ook uitgesloten worden geacht. Wel is het mogelijk, dat zich hier en daar snelloopende Japansche kruisers vertoonen als verkenners en om eventueel voor de Russische vloot bestemde kolenschepen aan te houden. Dit laatste zal, indien het aanhouden op Nederlandsch territoir geschiedt, intusschen schending wezen van de souvereine rechten eener onzijdige Mogendheid door Japan.
Onze plicht gebiedt ook eene dergelijke handeling te voorkomen, al geldt ook hier dat iedere ongeoorloofde handeling niet steeds is te voorkomen. De taak van verkennen, aan bedoelde geïsoleerd optredende Japansche kruisers toegekend, brengt mede, dat zij zich onmiddellijk terugtrekken zoodra de Russische vloot te nabij komt.
Welke weg de Russische vloot ook neemt, zeker blijft het plicht van den neutralen Staat haar, binnen de grenzen van zijn gebied, te observeeren en zoo mogelijk iedere ongeoorloofde handeling te verbieden, zoo noodig krachtdadig te beletten. Over welke macht beschikt nu Nederland hiertoe in Oost-Indië ?
Er bevinden zich daar thans 2 pantserschepen (Koningin Regentes en Prins Hendrik), 4 pantserdekschepen (Holland, Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant) en 6 torpedobooten. Bovendien eenige flottielje-vaartuigen, welke echter niet bestemd en niet geschikt zijn voor een strijd met een buitenlandschen vijand.
Het pantserdekschip Zeeland, thans op reis naar Oost-Indië, komt wellicht nog daar vóór de komst van de Russische vloot in den Archipel. Niet waarschijnlijk is het, dat zulks ook zal gelukken aan het eveneens voor Oost-Indië bestemde pantserschip De Ruijter, hetwelk heden uit het Nieuwediep vertrokken is, tenzij dat de Russische vloot zich zeer geruimen tijd in den Indischen Oceaan blijft ophouden.
Wanneer de Russische vlootvoogd voornemens is in de wateren van den Indischen archipel zijne schepen van kolen te voorzien en met dit doel de kolenschepen aanwezig zijn, dan zal hij zich niet storen aan de herinnering onzerzijds, dat zulks hem niet geoorloofd is, omdat hierdoor de onzijdigheid van Nederland zou worden geschonden. En hij kan zich daaraan ook niet storen, tenzij dat wij de macht hebben om hem te beletten zijn voornemen uit te voeren; de zaak zelf - de aanvulling van den kolenvoorraad - is voor hem immers eene kwestie van het allergrootste belang, eene levenskwestie voor zijne vloot.
Die macht nu bezitten wij stellig niet. Onze macht bepaalt zich tot 2 pantserschepen en 6 torpedobooten, want bij een gevecht met de Russische vloot zullen onze kruisers (de pantserdekschepen) vrijwel waardeloos geacht moeten worden.
De aanwezigheid van deze soort schepen bij ons eskader in Oost-Indië is steeds verdedigd geworden op grond, dat eene vijandelijke vloot in den Archipel het zwakst zal wezen in hare verbindingslijnen met de buitenwereld en dat den vijand door snelloopende kruisers hier het meeste nadeel zal kunnen worden toegebracht, terwijl hij niet geacht kan worden meester ter zee te zijn, zoolang als die verbindingslijnen voor hem hoogst onveilig zijn.
Al zijn wij beslist tegenstanders van kruisers bij ons eskader in Oost-Indië, zoo moet toch billijkheidshalve erkend worden, dat in die redeneering veel waarheid is. In het geval met de Russische vloot ontbreken echter de verbindingslijnen. Deze scheepsmacht wenscht zich niet langer dan onvermijdelijk is in den Archipel op te houden, maar zoo spoedig mogelijk hare reis te vervolgen.
Voor de kruisers als zoodanig is in dit geval geen taak weggelegd en als tegenstander zal de Russische admiraal deze schepen dan ook geen beteekenende waarde toekennen.
In het voor ons gunstigste geval - de De Ruijter blijft buiten beschouwing - zal hij tegenover zich zien 2 pantserschepen en 6 torpedobooten. Zeker, het ware niet noodig tegenover de Russische vloot eene ongeveer gelijke strijdmacht te stellen, maar zóó krachtig zou deze dan toch moeten wezen, dat de Russische vlootvoogd besloot zijn voornemen op te geven en liever te trachten op andere wijze den kolenvoorraad aan te vullen.
Hij zou hiertoe echter de kans moeten hebben om bij een treffen met ons eskader beteekenend verlies te lijden en hierdoor zijn eigen vloot ernstig verzwakt te zien, nog vóór dat het doel van de reis bereikt was of eene ontmoeting met den vijand had plaats gehad.
Dat gevaar bestaat thans voor de Russische vloot niet; onze macht zal zoo gering wezen, dat van daadwerkelijk verzet onzerzijds geen sprake zal kunnen zijn, dit in ieder geval doelloos zal wezen en de Russische admiraal allerminst zich zal laten intimideeren door de macht, welke kracht moet bijzetten aan ons verlangen.
wordt vervolgd

Geen opmerkingen :